Bij het bonaken komen verschillende bekende en onbekende termen voor.
Hieronder een lijst van woorden en begrippen die veel bij het bonaken gehanteerd
worden.
| Stokkers |
De kaarten die overblijven na het geven. En dus zijn voor
diegene die gaat |
| Slapers |
Kaarten die niet meespelen |
| Gift |
Spelvariant waarbij men niet van "6 of 8 af
gaat" maar het gevraagde aantal punten MOET halen, anders zit
je er gelijk in. |
| Bonaak |
Alle slagen halen en in een keer uit. |
| Zwabber |
Noordwijkse variant, Alle slagen halen ZONDER troef. Kan
alleen geboden worden in de voorhand. |
| Misère |
Noordwijkse variant, geen slag halen . Kan alleen geboden
worden in de voorhand. |
| "Uit de lucht" |
Punten halen zonder roem. |
| Stuk |
Vrouw en de koning van troef |
| 3 met 4 |
Geroemd wordt een 3 kaart en een vier kaart |
| Opseinen |
|
| Afseinen |
|
| Er boven uit gaan |
Verloren hebben |
| Voorhand |
Eerste die uitkomt in een slag. |
| Achterhand |
Laatste die kaart speelt in een slag. |
| Spelen met het mes op tafel |
Zodanig spelen dat iedere fout wordt bestraft,
men mag absoluut geen fouten maken. |
| Straffen |
Als een speler een fout maakt, mag je straffen. Je moet dan
wel zeker zijn van je zaak. Als je verkeerd of onterecht straft zit je er
zelf in |
| Dekken |
Als de tegenpartij eerder meer punten heeft ( bij 1 persoon)
dan degene die gaat kan je dekken |
| Eruit zijn |
Niet verloren hebben |